BLZ 26 Presenteren. Dat was
de eerste taak van iedere correspondent,
zo ontdekte ik anderhalve maand later toen het Midden-Oosten
even echt het wereldnieuws domineerde. Saddam
Hussein heerste nog over Irak en had de
wapeninspecteurs van de Verenigde Naties het land uitgestuurd.
Amerika eiste dat hij ze opnieuw toeliet, en dreigde met .
Er werd een ultimatum gesteld, en journalisten
spoedden zich naar buurland Jordanië,
waar de enige nog functionerende Iraakse ambassade
stond. Het was een weerzien met collega’s die ik had leren kennen in
Sudan, maar intiem werd het niet, daarvoor waren
er te veel nieuwe gezichten. Amerikaanse
op Irak bleken namelijk nieuwswaardiger
dan op Sudan, en uit de hele wereld
waren verslaggevers ingevlogen; vorige week een brandhaard in Azië
en straks door naar Afrika. Het leverde boeiende
taferelen op in de vijfsterrenhotels
van Amman. Je had de diplomaten
en westerse zakenlui die in Irak
werkten en in allerijl met hun fourweel drives
uit Bagdad naar Amman
waren gekomen. En je had de journalisten
die in allerijl naar Amman waren gekomen, juist
om met zo’n fourweel drive naar Bagdad
te scheuren. Er schenen ook Iraakse geheim agenten
te zijn die de vijfsterrenhotels
probeerden bij te houden met wie de expats spraken.
Het was beregezellig met al die oorlogscorrespondenten,
en praktische problemen beheersten onze gesprekken.
We schermden met contacten, spraken geheimzinnig in onze telefoons,
probeerden na veel bier andermans trucs te doorgronden of smeekten om hulp
bij de BBC, die, zo werd gefluisterd, een functionaris van het Iraakse
ministerie van Informatie
op de loonlijst hadden en aan visa konden komen.
Want daar draaide alles om, ook voor mij: visa.
Een vernederende ellende was het. Je vulde je gegevens in op een formulier
en ging twee keer per dag naar de Iraakse ambassade
om de consul meneer Sadun onder een grote poster
van Saddam Hussein de Gezalfde de Glorieuze
de namen te horen voorlezen van de gelukkigen. Als kleuters om een
BLZ 27 kinderlokker
stonden we om Sadun te dringen en ik zag volwassen
kerels staan huilen bij de poorten van de ambassade
toen ze ook de laatste nacht voor het verstrijken van het ultimatum
achter het net visten. Het was voor hen misschien een troost dat even later
meneer Sadun van alle drukte een hartaanval kreeg.
Sommige nieuwsorganisaties stuurde een fruitmand.
Terug in ons hotel ging iedereen drinken: ‘Arafat!
Ja, Arafat. Die keer toen Clinton
naar Gaza kwam. – O, met die gast die zo’n zelfgemaakte whisky
had. – Ik heb hem nog geïnterviewd. – Wie? Arafat?!
– Ja, maar ik zeg niet hoe ik dat heb geregeld. Sprakeloos dronk ik
mee, al was het maar omdat de alcohol me hielp vergeten dat ik mijn paspoort
evenmin een visum stond en ik de oorlog vanuit mijn
hotelkamer in Amman
moest ‘doen’. De
begonnen en de golf van onderdrukte opluchting sloeg over de correspondenten,
vooral de freelancers. Saddam had op het
laatste moment kunnen toegeven en dan was er niet .
Geen betekende geen opdrachten,
terwijl de kosten om naar Amman te komen al waren
gemaakt.
De persbureaus berichtten over de eerste
inslaande bommen en mijn Radio 1 Journaal
ging permanent uitzenden. Maar wat viel er te melden? Of alle doelen waren
geraakt, was nog niet vast te stellen, dat de bommengooiers zeiden dat alles
goed ging en de boos waren,
liet zich raden en kon ik een paar keer vertellen. Maar verder? Ik kon niet
eens de deur uit. Niet alleen was het midden in de nacht, de Jordaanse
telefoonmaatschappij leverde onvoldoende geluidskwaliteit om de ‘kruisgesprekken’
met de radio mobiel te doen.
Ik zie mezelf nog zitten in kamer zoveel van het Intercontinental te Amman.
Waar het vrees ik op neerkwam, was dat ik aan de roomservice-ober vroeg wat
hij nou vond van de . Dit
is mijn kans, dacht die man, en hij zei iets als: ‘Bij Allah, dit zal
de woede tegen Amerika alleen maar groter maken.’
Tien minuten later zat ik in de uitzending .met eerst een
’Duizendmaal
gezondheid
voor onze geliefde koning!’
Door onze correspondent
Amman – Voor misschien wel de laatste keer
vierden de Jordaniërs deze week...’
.
BLZ 29 De radio
had die eerste nacht uren achtereen uitgezonden, met vrijwel elk uur een bijdrage
van mij (‘de woede neemt alleen maar toe’). Na afloop vroeg en
vriend hoe ik tijdens de kruisgesprekken
ieder uur en zonder aarzelen alle antwoorden had geweten op alle vragen. Op
mijn antwoord dat die vragen net als bij het Journaal
op tv van tevoren worden afgesproken, kreeg ik een mail vol verwensingen terug
want die vriend besefte wat ik zelf eerder onder
ogen had gezien. Hij keek en luisterde op het Journaal
al decennia naar toneelstukjes.
Ik was verrast en gevleid geweest, toen de Volkskrant en de radio
mij aanzochten als correspondent. Ik had
willen geloven dat ze gewoon heel erg veel vertrouwen in mij hadden, ondanks
mijn gebrek aan journalistieke ervaring
en kennis van de politiek in de regio. Maar de werkelijke reden dat ze het
mij wel hadden aangedurfd, was minder vleiend: het basiswerk van een correspondent
is niet zo moeilijk. De redactie in Nederland
belde dat er iets was gebeurd, ze faxten of mailden de persbureauberichten
en die vertelde ik in mijn eigen woorden na op de radio,
en verwerkte ze tot een artikel voor de krant.
Daarom vonden mijn redacties het belangrijker
dat ik ter plaatse bereikbaar was, dan dat ik op de hoogte was. De persbureaus
leverden genoeg informatie om je door iedere
crises of topontmoeting heen te praten en te schrijven.
Het was even slikken, de praktijk van het correspondentschap,
een eerste deuk in mijn beeld van journalistiek,
nieuws en media. Ik had me een correspondent
voorgesteld als een soort historicus-op-het-moment-zelf. Als er iets belangrijks
gebeurde ging hij erop af, zocht uit hoe het zat en deed verslag. Maar ik
trok er niet op uit om vast te stellen hoe het zat. Dat was allang gedaan.
Ik trok er op uit om als een presentator op locatie het nieuws
door te geven. Vooraf had ik het niet kunnen bevroeden,
BLZ 30 maar het was logisch:
er zijn dagelijks duizenden persconferenties, topontmoetingen, begrafenissen,
betogingen, aanslagen en rellen. Hoe kun je die als redactie
allemaal overzien? Er zijn bovendien wel tienduizend redacties
in de wereld. Stel dat die allemaal afkwamen op
een persconferentie of een begrafenis…
Even later was ik voor het eerst kort terug in Nederland
voor overleg met de redactie, en ik begreep
waarom mijn superieuren blind voeren op de persbureaus,
en zo’n nadruk legden op ‘er zijn’ en ‘het hebben’.
Ik had bij ‘buitenlandredactie’
gedacht aan verstandige mannen en vrouwen die de wereld
overzagen en na rijp beraad besloten: dat wordt het nieuws.
De mannen en vrouwen op de redactie bleken inderdaad
verstandig, maar ze overzagen niet de wereld.
Ze overzagen de persbureaus, en daaruit maakte
de baas, ‘chef’ in het jargon, een selectie.
Of eigenlijk: hij maakte een selectie uit de
selectie van de persbureaus,
want de gaven in een speciaal blokje al aan hoe belangrijk ze iets vonden:
breaking news, urgent news, update… Opnieuw golden dat ik het niet had
kunnen bevroeden, maar toen ik het voor me zag, besefte ik: het kan niet anders.
De chef had geen ervaring in de Arabische wereld,
hij werkte onder grote tijdsdruk, moest de hele wereld
volgen én hij voelde de hete adem van de hoofd-redacteur
in zijn nek. Die wist nog minder van de Arabische
wereld en moest behalve een uitdijend pakket ‘managementtaken’
alle redacties in de gaten houden: binnenland,
Den Haag, sport, economie, kunst… Wat konden chef en hoofdredacteur
anders dan naar de persbureaus en de directe
concurrentie kijken en vragen: ‘Waarom hebben wij dat niet?’ Daarom
zie je bladerend in kranten en zappend langs de journaals
vaak dezelfde beelden en verhalen. Al die redacties
betrekken hun informatie en filmpjes van de
zelfde bron. Daarom ook noemen mensen die de persbureauberichten
vertalen en bewerken, zichmeestal geen journalist
maar ‘redacteur’. Ze gaan niet
zelf op pad, maar geven berichten door, of laten die bewerken door een correspondent.